06 13 85 26 14 contact@SOD-Onderzoek.nl

Eind 2021 was het ziekteverzuimpercentage in de bouwnijverheid 5,3%. Dat is het hoogste verzuim in twintig jaar tijd, blijkt uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS houdt het verzuim bij vanaf 1996. In het vierde kwartaal van 2002 kwam het ziekteverzuim voor het laatst boven de vijf procent uit (inclusief verzuim langer dan een jaar). Verzuimpercentages van 3 à 4 procent waren de afgelopen twintig jaar de norm.

Cijfers van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), dat het ziekteverzuim ook al jaren volgt, tonen een iets ander beeld. Volgens het EIB kwam het verzuimpercentage in 2019 en 2020, de laatste gemeten jaren, al boven de 5% uit, namelijk op respectievelijk 5,1 en 5,8%. Dit zijn cijfers inclusief het tweede ziektejaar. Het EIB beperkt zich tot bedrijven die onder de cao’s bouw en infra vallen, het CBS neemt ook andere bouwbranches mee (zoals afbouw en gespecialiseerde bouw). De cijfers mogen dan iets verschillen, de belangrijkste overeenkomst is een opvallend hoog verzuimpercentage in de afgelopen drie jaar, dat oploopt vanaf 2019.

Oorzaken hoog ziekteverzuim

Het hogere ziekteverzuim is deels te verklaren door corona, aldus bedrijfsarts Fred Boots van Volandis, dat zich richt op duurzame inzetbaarheid in de bouw.Maar het verzuim in de bouw loopt al op vanaf 2019, voordat corona opdook. Toegenomen werkdruk speelt ook een rol, vermoedt Boots. “Al jaren is er sprake van een hoge bouwproductie én tekorten aan personeel. Dat is versterkt toen in 2020 vele arbeidsmigranten tijdens de coronacrisis vertrokken. Voor de rest werd de druk om het werk af te krijgen groter.”

De stijging komt volgens het EIB volledig voor rekening van bouwplaatspersoneel (het CBS maakt geen onderscheid tussen werknemersgroepen). Bouwplaatsmedewerkers melden zich sowieso vaker ziek dan UTA-personeel (uitvoeren technisch administratief). Het verzuim onder bouwvakkers steeg van 6,4% in 2019 naar 7,7% in 2020, laten EIB-cijfers zien. Bij UTA-werknemers was er in dezelfde jaren sprake van een stabiel verzuim van zo’n 3%.

Onder straatmakers, ijzervlechters en metselaars is het verzuim al jarenlang zo’n beetje het hoogste van alle beroepen in de bouw. Bij straatmakers liep het verzuim volgens het EIB in 2020 zelfs op tot 10%, het hoogste van alle beroepsgroepen. IJzervlechters volgen met 9,7% in 2020 en metselaars met 9%. Daarbij aangetekend dat er de laatste jaren steeds minder ijzervlechters in dienst zijn, er zijn vooral uitzendkrachten actief.

Dat het ziekteverzuim de afgelopen jaren vooral bij bouwplaatspersoneel is toegenomen, is niet zo gek, stelt Boots die jarenlang ook zelf data bijhoudt, aangezien UTA-medewerkers makkelijker thuis kunnen werken. “Een bouwvakker kon bij griepklachten tijdens de coronacrisis niet doorwerken en dus meldde hij zich eerder ziek.”

Verzuim het hoogst onder jongeren

Opvallender is dat het verzuim de afgelopen jaren vooral onder jongeren hard is gestegen, tonen de EIB-cijfers vanaf 2016. Werknemers onder de 20 jaar meldden zich in 2020 4,3 keer zo vaak ziek dan in 2016. In de categorie 20-24 jaar was het verzuimpercentage het dubbele van dat in 2016.nBij de andere leeftijdsgroepen zijn de percentages in vier jaar tijd ook gestegen, maar minder snel dan onder de jongeren. Oudere werknemers zijn wél langduriger ziek dan jongeren. Het ziekteverzuim onder 55-plussers lag in 2020 met 10% ruim driemaal boven dat van jongeren (3,4%).

Historisch gezien is een iets hoger verzuimpercentage onder jongeren niet zo ongewoon, zegt Boots, hoe gek het ook klinkt. Het is volgens hem altijd al zo geweest dat twintigers zich gemakkelijker ziek melden dan dertig- tot veertigjarigen. De laatste jaar tien jaar is dat juist minder geweest, constateert hij als hij de PAGO-vragenlijsten (periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek dat Volandis uitvoert) erop na loopt.

Landelijke trend

Dat de ziekmeldingen bij deze groep de laatste paar jaar weer iets oplopen, is volgens hem een landelijke trend. “De betrokkenheid bij de werkgever is minder groot dan bij mensen die langer in dienst zijn”, is zijn uitleg. “Dat er de laatste jaren weer meer jongeren de sector instromen, kan ook meespelen.”

Een andere verklaring is werkstress. Volgens de bedrijfsarts zijn hier geen cijfers van per leeftijdscategorie, maar hij weet uit eigen ervaring dat burn-outklachten steeds vaker voorkomen bij twintigers en dertigers. “Vroeger was dit iets voor 45-plussers. Veel jong stafpersoneel – zoals uitvoerders, projectleiders en calculators – loopt vast op dit soort functies. Dit is overigens ook een landelijke trend.”

Belangrijkste verzuimredenen

De belangrijkste redenen voor verzuim zijn in 2021 griep- en verkoudheid. Deze staan met 23,1% op nummer 1 van alle verzuimredenen, blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van TNO en CBS. Andere belangrijke klachten die hoog scoren zijn fysieke ongemakken, zoals rugklachten (11,3%) en pijn aan de heupen, benen, knieën en voeten (9,6%). Deze fysieke ongemakken scoren in de bouw hoger dan in andere sectoren. Overspannenheid en andere psychische klachten scoren lager dan in de meest andere sectoren (3,6%).

Griep -en verkoudheidsklachten dalen opvallend genoeg in de coronajaren 2020 en 2021 ten opzichte van eerdere jaren. Het aantal bouwvakkers dat daar last van had nam af van 29,5% in 2019 naar 23,1% in 2020 en 2021. Een verklaring daarvoor kan liggen in de interpretatie, zegt Boots. “Het kan zijn dat werknemers corona niet scharen onder het kopje ‘griep- en verkoudheid’, waardoor juist dat soort klachten zijn afgenomen. En door de lockdowns hadden in 2020 en 2021 minder mensen in ons land griepverschijnselen.”

Gevolgen voor werkgevers

De gevolgen van het toenemende ziekteverzuim voor werkgevers zijn groot. Het wordt steeds vaker genoemd als een van de belangrijkste redenen voor productieverlies, blijkt uit de Bouwmonitor, een maandelijkse enquête van Cobouw onder bouwpersoneel. In oktober 2021 gaf nog 21% van de respondenten met productieverlies ziekteverzuim op als reden, in maart 2022 was dat 48%.

De kosten van ziekteverzuim, in combinatie met arbeidsongeschiktheid en productiviteitsverlies, zijn bovendien fors. In 2019 kwamen die volgens EIB-onderzoek uit op 905 miljoen euro voor bouw en UTA-personeel samen (zonder het eerstejaars ziekteverzuim). Twee derde van de kosten zitten in arbeidsongeschiktheid: dat kostte werkgevers in 2019 585 miljoen euro.

Bouwplaatspersoneel

Bouwplaatspersoneel was in 2019 verantwoordelijk voor ruim zestig procent van de uitvalkosten, de rest kwam voor rekening van UTA-medewerkers, blijkt uit hetzelfde onderzoek. De groep 40-55 jaar was verantwoordelijk voor de hoogste kosten (285 miljoen euro).

Door de oplopende verzuimcijfers in de jaren na 2019 is de conclusie vrij gemakkelijk te trekken dat ook de kosten zijn opgelopen, stelt Boots. “Verzuim en arbeidsongeschiktheid zijn flinke kostenposten, en dan zijn de vervangingskosten van nieuw personeel nog niet eens meegerekend.”

Het is van groot belang om als werkgever verzuim te voorkomen, aangezien de winstpercentages in de bouw vrij gering zijn, adviseert hij. Goed ondernemerschap, leiderschap, veiligheid en goede arbeidsomstandigheden zijn zaken waarmee werkgevers het verzuim zo laag mogelijk kunnen houden. “En de werkstress binnen de perken houden. Ook dat is belangrijk.”

Bron: Risk en Business