06 13 85 26 14 contact@SOD-Onderzoek.nl

In oktober 2020 heeft de rechtbank in Den Bosch de bestuurder van een onderneming persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van een (dodelijk) ongeval dat een werknemer was overkomen tijdens werkzaamheden. Op het moment van het ongeval was de Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering voor het bedrijf niet meer van kracht vanwege wanbetaling.

De onderneming verkeerde in financieel zwaar weer en de vereiste premie was niet tijdig aan de verzekeraar voldaan. De Bedrijfsaansprakelijkheids-verzekering bood geen dekking en aldus heeft de rechter bepaald dat hier sprake was van een persoonlijk ernstig verwijt van de bestuurder.

Op zich is een algemene verzekeringsplicht in strijd met de strekking van artikel 7:658 BW. Maar dit staat niet in de weg dat een rechter in een individueel geval kan oordelen dat er een verzekeringsplicht bestaat voor een bedrijf dat risicovolle en/of gevaarlijke activiteiten verricht. In de onderhavige uitspraak acht het gerechtshof de verzekeringsplicht voor de werkgever met een bedrijf waar gevaarlijke werkzaamheden worden verricht zo belangrijk dat het niet voldoen aan de verplichting tot het betalen van verzekeringspremie leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Wat exact risicovolle en/of gevaarlijke werkzaamheden zijn is niet nader bepaald, maar kan heel breed uitgelegd worden.

Het hof oordeelde dat van een vennootschap als deze verwacht mag worden dat zij zorg draagt voor een deugdelijke aansprakelijkheidsverzekering, zodat een dekkingsvoorziening wordt getroffen voor het geval het hiervoor genoemde risico (vallen) zich voordoet en de vennootschap – bijvoorbeeld als gevolg van een faillissement – zelf aan de verplichting tot vergoeding van de schade niet kan voldoen. Vast staat dat de vennootschap wel een aansprakelijkheidsverzekering had maar niet aan haar verplichting tot tijdige betaling van de premie heeft voldaan. De dekking van de verzekering was door verzekeraar opgeschort.

De rechter heeft bepaald dat door het niet tijdig betalen van de premie voor de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt en er sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Het gerechtshof overweegt dat een bestuurder zijn bedrijfsorganisatie zodanig dient in te richten dat verzekeringspremies tijdig betaald worden, zodat voorkomen wordt dat de dekking van de verzekering wordt opgeschort. Het gerechtshof acht hierbij van belang dat de bestuurder uitlegt of inzage geeft door wie het betalen van verzekeringspremies wordt gedaan binnen het bedrijf en welke interne controle daarop plaatsvindt. Daarnaast speelt voor het gerechtshof nog mee dat werknemers in de veronderstelling waren dat zij verzekerd waren tegen schade indien een incident zou plaatsvinden tijdens de werkzaamheden.

Het gerechtshof vindt dat de niet-betaling van de premies aan de verzekeringsmaatschappij door de vennootschap als gevolg waarvan de dekking is opgeschort, een ernstig persoonlijk verwijt is van de bestuurder. Op die grond kan de bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor de schade.

Het bovenstaande toont aan dat het niet (tijdig) betalen van premie kan leiden tot een persoonlijk verwijt van de bestuurder en dat het verzekeren van bestuurdersaansprakelijkheid hierdoor nog belangrijker wordt. Een derde punt is het belang van het verzekerd houden van de bedrijfsaansprakelijkheid en de bestuurdersaansprakelijkheid bij eventueel uitstel van betaling of een faillissement.

Bron: Risk en business